Huidreacties en wonden door radiotherapie zijn verminderd met de komst van megavolt therapie. Hierbij wordt de maximale dosis iets onder de huid bereikt in plaats van op de huid, waardoor een huidsparend effect optreedt. Huidproblematiek neemt de laatste jaren weer toe door andere bestralingstechnieken zoals een versneld schema, het gebruik van stoffen die de radiotherapie versterken, etc.
- Recallfenomeen, een versterkte huidreactie tijdens de chemotherapie op de plaats waar de patiënt in het verleden bestraald is geweest.
- Gelijktijdige toepassing van chemo- en radiotherapie. Cumulatie kan huiddefecten in het bestraalde gebied veroorzaken.
- De wonden kunnen oppervlakkig en diep zijn. Zij kunnen acuut (tot 6 maanden), subacuut (na zes maanden tot 1 jaar), chronisch (na 1 jaar tot vijf jaar) of laattijdig (b.v. het ontstaan van een fistel 20 jaar na radiotherapie) optreden.
Factoren die van invloed kunnen zijn op ontstaan huidreactie en/of wond
- Bestralingsdosis.
- Fractioneringschema.
- Locatie van het te bestralen gebied.
- Gebruik van radiosensitizers.
- Als huid het doelgebied is.
- Gevoeligheid van de huid.
Acute huidreacties of wonden
Oppervlakkige wonden kunnen vergeleken worden met verbrandingen; erytheem, roodheid, warmte, oedeem.
Men hanteert de volgens de volgende indeling:
- Erytheem.
- Droge desquamatie: de huid gaat een bruine kleur vertonen, schilferen en jeuken.
- Natte desquamatie of epidermolyse: vooral ter hoogte van de huidplooien ontstaan met serum gevulde blaasjes onder de dermis die gaan samenvloeien en als gele korsten afvallen zonder littekenvorming indien geen bijkomende infectie optreedt. De nieuwe huid is in het begin dun, roze en kwetsbaar.
Acute of vroegtijdige radiodermitis: kan zich vanaf 3 weken na een klassieke bestraling als volgt voordoen:
- Met een beginnende ontharing.
- Vanaf de vierde week ontstaan erytheem, oedeem en een verminderde talgafscheiding.
- Vanaf de vijfde week zal zich een droge desquamatie, gevolgd door een natte desquamatie met blootlegging van de dermis inzetten.
Re-epithelialisatie vangt meestal zeven tot tien dagen na het beëindigen van de radiotherapie aan.
Behandeling:
Droge desquamatie: behoeft geen behandeling maar wel voorzichtigheid. Een olie of ongeparfumeerde crème met een lage PH kan worden toegepast om uitdroging te voorkomen.
Natte desquamatie: handel nooit op eigen initiatief maar overleg multi-disciplinair. Bij natte desquamatie laat men de huid bij voorkeur onbedekt. Is dit niet mogelijk, dan bedekt men de huid met een niet-verklevend absorberend verband. De frequentie van verwisselen van het verband hangt af van de hoeveelheid exsudaat. Bij huiddeffecten aan de mammae is siliconengaas of niet verklevend synthetische zalfgaas op basis van rayonzijde
te adviseren met daaroverheen een droog gaas en een niet knellende bh ter fixatie. Vermijd zo veel mogelijk locale corticoiden, want deze verwekken secundaire infecties. In verband met mogelijke reacties bij de radiotherapie mogen eventuele wondbehandelingszalven of crèmes geen metalen (bijvoorbeeld zink) bevatten, of zilververbanden. Het voorschrijven van analgetica kan noodzakelijk zijn.
Geneeskundige behandeling: de geneeskundige behandeling van chronische wonden ten gevolge van radiotherapie beoogt de bevordering van het genezingsproces, het zuiver houden van de wond en het verzekeren van optimaal comfort voor de patiënt. Chirurgisch ingrijpen zal alleen dan worden overwogen bij het falen van bovenstaande therapie en indien de levenskwaliteit van de patiënt erg in het gedrang komt.
Late huidreacties of wonden
Chronische of laattijdige radiodermitis: manifesteert zich in de vorm van atrofie, verandering van pigmentatie, droge en onthaarde huid, teleangiectasieën (= blauwe of rode vaatvlekken) die ontstaan door verwijding van de bloedvaten, tot ulceraties die maanden of zelfs jaren kunnen slepen. Chronische radiodermatitis gaat vaak gepaard met een onderhuidse fibrose. Het grootste risico is het ontstaan van necrose, die spontaan of na een miniem letsel kan optreden.
Chronische radiomucositis: manifesteert zich door witachtig slijmvlies met teleangiectasieën en de kans op radionecrose die spontaan of na een miniem letsel kan optreden.
Diepe wonden: zien eruit als fistels of diepe decubituswonden en worden ook zo behandeld. Het genezingsproces kan echter sterk vertraagd verlopen.
Behandeling:
Voor de behandeling van pigmentatieveranderingen of teleangiectasieen is geen therapie voorhanden.
Huidtherapeuten kunnen met massagetechnieken de atrofie en fibrose van de huid verminderen. In geval van een bestralingsulcus en/of necrose wordt de behandeling ingezet in overleg met de behandelende arts en de wondverpleegkundige.
Soms is plastische chirurgie geïndiceerd.