[gesponsorde mededeling]

oncologische wonden


Huidreacties en wonden agv chemotherapie

Onder chemotherapie verstaat men het toedienen van cytostatica met de bedoeling de celdeling af te remmen. Het therapeutisch werkzame gebied is over het algemeen smal. Een te lage dosering betekent onvoldoende effect op de tumor. Een te hoge dosering betekent onaanvaardbare schade voor de patiŽnt.
Cytostatica hebben de meeste invloed op de snelst delende cellen (bijvoorbeeld tumorcellen), maar zullen ook een afremmende rol spelen in de wondgenezing (onder meer bij de granulatiefase, de collageensynthese, de re-epithelialisatie en de littekenvorming).
In principe ontstaan er geen wonden door de behandeling met cytostatica, tenzij er sprake is van extravasatie.

Huidproblemen die kunnen optreden bij chemotherapie zijn;


  • Hyperpigmentatie (taxotere en intraveneuze 5FU).
  • Vormveranderingen van de nagels en haren (taxotere).
  • Erytheem (5FU).
  • Dermatitis.
  • Hand-foot syndroom (bij bv. 5FU en Caelyx): In eerste instantie ziet men een duidelijk begrensde roodheid van voornamelijk handpalmen en voetzolen, doof gevoel in vingertoppen en pijn met meestal een bruinverkleuring van de huid dit kan overgaan in een ernstige vorm vervelling handpalmen en voetzolen. De behandeling met het cytostaticum wordt volgens instellingsprotocol aangepast of gestaakt.
  • Gevoeligheid: Er kunnen kloven ontstaan ter hoogte van de anus, die verergerd worden indien er sprake is van diarree of obstipatie. Vooral anus, perineum, lies- en okselstreek en de huidplooien van het scrotum en de mammae kunnen extra gevoelig worden.
  • Huidoppervlakten die voorheen reeds bestraald zijn geweest, kunnen een hypergevoelige reactie vertonen door de chemotherapie; ook kunnen beschadigingen optreden aan mond- en darmslijmvliezen.
  • Wonden die worden veroorzaakt door extravasatie.


Met extravasatie wordt het uittreden van een cytostaticum buiten de bloedbaan bedoeld .De symptomen zijn dezelfde als die van een klassieke ontsteking: roodheid, zwelling, pijn, warmte en functiebeperking. Deze letsels vereisen een nauwgezette behandeling, omdat necrose kan optreden.
De soort en hoeveelheid cytostatica die op of onder de huidoppervlakte in aanraking komt met gezond weefsel bepalen de ernst van de reactie.

Verschijnselen en/of symptomen van extravasatie kunnen zijn

  • Acuut optredende pijn: heftig, brandend en stekend, die in de loop van de tijd toeneemt.
  • Zwelling, welke niet binnen enkele dagen verdwijnt.
  • Infuus loopt slecht of stopt.
  • Terugstomen van bloed door middel van hevelen is niet mogelijk of traag (deze hevelproef heeft alleen waarde in combinatie met beoordeling snelheid infuus).
  • Bij bolusinjectie weerstand bij inspuiten.
  • Roodheid treedt meestal na 6 ŗ 12 uur op.


Behandeling extravasatie

  • Bij extravasatie volg je het instellingsprotocol gebaseerd op de Landelijke Richtlijnen Cytostatica van het IKC.
  • Stop onmiddellijk met de toediening van het cytostaticum.
  • Sluit het toedieningssyteem af.
  • Laat de katheter of infuusnaald ter plaatse.
  • Schakel onmiddellijk de behandelend arts in.
  • Probeer zo veel mogelijk infuusvloeistof op te zuigen. Infuusnaald in situ kan noodzakelijk zijn voor toedienen medicatie (bv dexamethason om reactie te couperen); dit altijd in overleg met specialist.
  • Stel met een stift de omtrek van de extravasatie vast teneinde te kunnen controleren of de zwelling toeneemt of juist verminderd.
  • Het beschadigde gebied spoelen en zonodig koelen/verwarmen volgens de richtlijnen.
  • Overleg met arts/apotheker over eventueel antidota en het vervolgbeleid.
  • Bij necrose wordt necrotomie gedaan door een chirurg, na de ingreep ontstaat er een open wond. Het wondbeleid wordt in overleg met behandelend arts en evt wondverpleegkundige opgesteld.


Flare
Adriamycine geeft soms een allergische reactie die zich uit in een rode streep in de vene waarin het cytostaticum wordt toegediend. Dit treedt meestal binnen enkele minuten op.
De patiŽnt ervaart het als een prikkelende sensatie, de terugstroom van bloed is goed.
De rode streep verdwijnt spontaan enkele uren na de toediening.

Huidreacties en wonden agv radiotherapie

Huidreacties en wonden door radiotherapie zijn verminderd met de komst van megavolt therapie. Hierbij wordt de maximale dosis iets onder de huid bereikt in plaats van op de huid, waardoor een huidsparend effect optreedt. Huidproblematiek neemt de laatste jaren weer toe door andere bestralingstechnieken zoals een versneld schema, het gebruik van stoffen die de radiotherapie versterken, etc.

  • Recallfenomeen, een versterkte huidreactie tijdens de chemotherapie op de plaats waar de patiŽnt in het verleden bestraald is geweest.
  • Gelijktijdige toepassing van chemo- en radiotherapie. Cumulatie kan huiddefecten in het bestraalde gebied veroorzaken.
  • De wonden kunnen oppervlakkig en diep zijn. Zij kunnen acuut (tot 6 maanden), subacuut (na zes maanden tot 1 jaar), chronisch (na 1 jaar tot vijf jaar) of laattijdig (b.v. het ontstaan van een fistel 20 jaar na radiotherapie) optreden.


Factoren die van invloed kunnen zijn op ontstaan huidreactie en/of wond
  • Bestralingsdosis.
  • Fractioneringschema.
  • Locatie van het te bestralen gebied.
  • Gebruik van radiosensitizers.
  • Als huid het doelgebied is.
  • Gevoeligheid van de huid.


Acute huidreacties of wonden
Oppervlakkige wonden kunnen vergeleken worden met verbrandingen; erytheem, roodheid, warmte, oedeem.
Men hanteert de volgens de volgende indeling:
  • Erytheem.
  • Droge desquamatie: de huid gaat een bruine kleur vertonen, schilferen en jeuken.
  • Natte desquamatie of epidermolyse: vooral ter hoogte van de huidplooien ontstaan met serum gevulde blaasjes onder de dermis die gaan samenvloeien en als gele korsten afvallen zonder littekenvorming indien geen bijkomende infectie optreedt. De nieuwe huid is in het begin dun, roze en kwetsbaar.


Acute of vroegtijdige radiodermitis: kan zich vanaf 3 weken na een klassieke bestraling als volgt voordoen:
  • Met een beginnende ontharing.
  • Vanaf de vierde week ontstaan erytheem, oedeem en een verminderde talgafscheiding.
  • Vanaf de vijfde week zal zich een droge desquamatie, gevolgd door een natte desquamatie met blootlegging van de dermis inzetten.

Re-epithelialisatie vangt meestal zeven tot tien dagen na het beŽindigen van de radiotherapie aan.

Behandeling:
Droge desquamatie: behoeft geen behandeling maar wel voorzichtigheid. Een olie of ongeparfumeerde crŤme met een lage PH kan worden toegepast om uitdroging te voorkomen.

Natte desquamatie: handel nooit op eigen initiatief maar overleg multi-disciplinair. Bij natte desquamatie laat men de huid bij voorkeur onbedekt. Is dit niet mogelijk, dan bedekt men de huid met een niet-verklevend absorberend verband. De frequentie van verwisselen van het verband hangt af van de hoeveelheid exsudaat. Bij huiddeffecten aan de mammae is siliconengaas of niet verklevend synthetische zalfgaas op basis van rayonzijde
te adviseren met daaroverheen een droog gaas en een niet knellende bh ter fixatie. Vermijd zo veel mogelijk locale corticoiden, want deze verwekken secundaire infecties. In verband met mogelijke reacties bij de radiotherapie mogen eventuele wondbehandelingszalven of crŤmes geen metalen (bijvoorbeeld zink) bevatten, of zilververbanden. Het voorschrijven van analgetica kan noodzakelijk zijn.

Geneeskundige behandeling: de geneeskundige behandeling van chronische wonden ten gevolge van radiotherapie beoogt de bevordering van het genezingsproces, het zuiver houden van de wond en het verzekeren van optimaal comfort voor de patiŽnt. Chirurgisch ingrijpen zal alleen dan worden overwogen bij het falen van bovenstaande therapie en indien de levenskwaliteit van de patiŽnt erg in het gedrang komt.

Late huidreacties of wonden
Chronische of laattijdige radiodermitis: manifesteert zich in de vorm van atrofie, verandering van pigmentatie, droge en onthaarde huid, teleangiectasieŽn (= blauwe of rode vaatvlekken) die ontstaan door verwijding van de bloedvaten, tot ulceraties die maanden of zelfs jaren kunnen slepen. Chronische radiodermatitis gaat vaak gepaard met een onderhuidse fibrose. Het grootste risico is het ontstaan van necrose, die spontaan of na een miniem letsel kan optreden.

Chronische radiomucositis: manifesteert zich door witachtig slijmvlies met teleangiectasieŽn en de kans op radionecrose die spontaan of na een miniem letsel kan optreden.

Diepe wonden: zien eruit als fistels of diepe decubituswonden en worden ook zo behandeld. Het genezingsproces kan echter sterk vertraagd verlopen.

Behandeling:
Voor de behandeling van pigmentatieveranderingen of teleangiectasieen is geen therapie voorhanden.
Huidtherapeuten kunnen met massagetechnieken de atrofie en fibrose van de huid verminderen. In geval van een bestralingsulcus en/of necrose wordt de behandeling ingezet in overleg met de behandelende arts en de wondverpleegkundige.
Soms is plastische chirurgie geÔndiceerd.

Wonden agv chirurgisch ingrijpen

De oncologische chirurgie kent vele postoperatieve complicaties.
De meest voorkomende complicaties zijn: secundaire infectie, wijken van de operatienaden, ischemie, necrose, blijvende holten, fistels en (na) bloedingen.
Vaak zijn zij het resultaat van een combinatie van factoren: verminkende chirurgie, vermindering van de algemene weerstand of de combinatie met chemo- of radiotherapie. De postoperatieve terugval kan onmiddellijk of op langere termijn intreden.

Bij hoofd en hals letten op:
  • Het belang van mond- en tandverzorging.
  • Orthodontie.
  • HygiŽne.
  • Slikstoornissen.


Bij thorax en rug letten op:
  • Verhoogde ademhalingsrisicoís.


Bij mastectomie en operatieve ingrepen in de oksel- en/of liesholte letten op:
  • Het belang van een goede preventie door hemostase en een postoperatieve drainage door middel van een vacuumdrain.
  • Later kan een lymfedrainagestoornis behandeld worden met de lymfapress, korte rek zwachtel of licht elastische kous (b.v. tet kous of comprinetkous), of panties.


Bij abdominale en gynaecologische problemen letten op:
  • Verhoogde problemen bij incontinentie en/of obstipatie.
  • Verhoogd decubitusrisico bij mobilisatieproblemen.
  • Extra attentie bij preoperatieve intra-abdominale bestraling.
  • Passagestoornissen.


Bij chirurgie van de ledematen letten op:
  • Verhoogde risicoís bij aanvullende radio- en/of chemotherapie. Bijvoorbeeld amputatiestompen en delen waar de operatienaden onder spanning staan.


 
© 2011 wondenwijzer.nl | Disclaimer